Wat kan ik mij (ik was pas vier) van haar herinneren,
behalve dan dat zij op een zomerdag de frieten sneed?
Zij rolt een theedoek, Brabants bont, vol met rauwe frieten,
de keukentafel maakt een rommelend geluid.
De open keukendeur en buiten kinderspel, maar ik bij haar -
enkel oog en oor voor wat zij rommelend vertelt.
Zij trekt een ernstig pretgezicht, ze houdt me voor de gek!
Nee hoor, roep ik zeker, klink ik bang: in de kast daar zít geen heks!
Er zijn wat foto's nog en ik ontmoet, als voor het eerst,
die zachte, zachte blik; heb ik haar ooit wel echt gekend?
Ook die ene foto, oud en geel: zij ligt in bed en vouwt
bij mij de handen voor een gebed dat onverhoord gebleven is.
Ze stierf wat later, toen er een zusje komen zou.
De vleugels van mijn kinderziel gescheurd.
Het grote moederschip voer zomaar weg
en liet mij achter in een kale sloep.
Ik mis vooral wat er nooit is geweest;
een deel van mij kon toen niet meer bestaan.
Van lieverlee heb ik behoorlijk leren dobberen,
ik ben bekend met menig sleepbootkapitein.
Later, later pas kwam, huilend, kwaad verdriet
en heb ik, veer voor veer, mij nieuwe vleugels aangemeten.
Soms vleugelslag, soms zwevend op thermiek
zijn oude hoogten aarzelend verkend.
Op zon- en zomerdagen rommel ik met rauwe frieten
en als het even kan, dan houd ik kleine kinderen voor de gek.
Maart 2003
Naar wisselcolumn index